Ouderen hebben naast een psychische ziekte vaker ook een lichamelijke ziekte. Je kunt bijvoorbeeld last hebben van diabetes (suikerziekte), een hoge bloeddruk of problemen met je hart of nieren. Als je hiervoor medicijnen gebruikt, dan moet je dat met je arts bespreken. Dit doe je vóórdat je met een stemmingsstabilisator begint. Soms moet de dosering van medicijnen worden aangepast. Ouderen die een stemmingsstabilisator nodig hebben, beginnen vaak met een lage dosering, die in heel kleine stapjes omhoog gaat. De uiteindelijke dosis is bij ouderen vaak iets lager. Dat komt doordat je nieren en lever minder goed werken als je ouder wordt en omdat je lichaamsbouw verandert. Ouderen hebben minder spieren en meer vet vergeleken met jongere mensen. Medicijnen kunnen daardoor langer in je lichaam blijven en daarom bij een lagere dosering toch goed effect hebben.